Video's van Cre8 East Africa

Loading...

woensdag, januari 25

Poor Economics


Arm en Kansrijk (Esther Duflo, Abhijit Vinayak, 2011) heet het boek dat ik op aanraden van Janneke las tijdens de donkere avonden in Gulu en in de bus er naar toe en vandaan las. Een vertaling van Poor Economics dat volgens veel recensies één van de meest opzienbarende boeken over armoedebestrijding is van de laatste jaren.

Ik vond het inderdaad een heel boeiend en leerzaam boek. Hoofdboodschap: Arme mensen zijn gewoon mensen. Net als wij, de westerse middenklasse, maken zij niet alleen op rationele afwegingen gebaseerde keuzes maar ook in onze ogen ‘onlogische’ of zelfs domme keuzes als status of korte termijn denken boven lange termijn denken een rol spelen. Net als andere mensen doen ze er alles aan om hun situatie te  verbeteren, maar wel als de kans daarop ook reëel aanwezig is. En net als wij hebben ze informatie en een betrouwbare overheid (= veiligheid en zicht op continuïteit) nodig om optimaal te kunnen functioneren.

 

Armen over de hele wereld laten, volgens het boek, ook een ongekend talent zien op het gebied van ondernemerschap. De vele succesverhalen over micro-kredieten  zijn daarvan wel een bewijs. Maar dat is niet voldoende om grote groepen structureel uit de armoede te halen en te houden. Daarvoor moet een land, een samenleving een aantal ingrijpende keuzes maken en sociaal economische omstandigheden creëren die armen ondersteunen, stimuleren en beschermen.  Schoon water uit de kraan, bescherming van arbeid- en bezitsrechten, betaalbare verzekeringen en goede scholen en gezondheidszorg, voor de meesten van ons redelijk vanzelfsprekende zaken, zijn essentieel om de armen uit de ‘armoede val’ te helpen bevrijden.


Armen zijn geen losers en ze zijn niet dommer of naïever dan mensen die wel geld hebben. Armoede is vaak het gevolg van omstandigheden; een slechte start in het leven, oorlog, rampen, een zwakke staat of gewoon pech. Het zijn het gebrek aan goede gezondheidsvoorzieningen, mogelijkheden voor het lenen en sparen van geld, een onbetrouwbare overheid en het gebrek aan kennis en informatie die mensen arm houdt.

Het boek pleit, op basis van heel veel onderzoek, voor praktische en op de lokale situatie toegesneden oplossingen en neemt daarin geen positie waar het gaat over de discussie of hulp nu wel of niet goed is. Goede hulp is goed en slechte hulp is dat niet of erger. Om te weten of hulp goed is moet je onderzoek doen naar wat de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de doelgroep en wat de werkelijke effecten van de hulp zijn. In het boek staan een aantal zeer illustratieve en inspirerende voorbeelden van projecten en onderzoeken die in verschillende landen zijn uitgevoerd. Zo blijkt uit onderzoek dat een eenvoudige verplichte drie maandelijkse ontwormingskuur voor schoolkinderen in Kenia uiteindelijk niet alleen gezondere maar ook meer productieve volwassenen en dus economische groei oplevert. Klinkt logisch maar, het was nog niet eerder onderzocht op zijn economische effecten. Soortgelijke resultaten zijn er voor het chloreren van water en toevoegen van vitaminen aan peutervoeding. Relatief kleine ingrepen met grote gevolgen.  Maar niets heeft zo’n positieve invloed op de positie van armen als een overheid die daadwerkelijk in hen investeert en zorgt voor goede scholen, goede gezondheidvoorzieningen en arbeidvoorwaarden en daarmee zekerheid en stabiliteit zodat het de moeite loont om in je zelf te investeren. De beste investering die je kunt doen.   

dinsdag, januari 24

Geduld


Geduld,

In het vliegtuig van Nairobi naar Amsterdam las ik een interview met een Nederlandse ontwikkelingswerker (of hoe je dat ook mag noemen) die al jaren in Burkina Fasso woont en werkt. Hij was een boerenzoon die zich jaren geleden in Burkina had gevestigd als boer, met een Burkinese vrouw was getrouwd en zich in de afgelopen dertig jaar had beziggehouden met de ontwikkeling van de landbouw in de Sahel, waar Burkina Fasso onderdeel van is. Het was het verhaal van een man die terug kijkt op een leven met successen en teleurstellingen en met de wijsheid van vele jaren. Hij vertelde over zijn bewondering voor het land en de mensen, de cultuur en de vindingrijkheid van mensen en over hoe moeilijk het was om dingen voor elkaar te krijgen met de steeds weer veranderende opvattingen over hoe je ontwikkelinglanden kunt ‘helpen’ en of je dat überhaupt moet doen als rijk land, Nederland. Het artikel besloot met zijn raadgeving aan jonge ontwikkelingswerkers: heb geduld, veel geduld, want ontwikkeling kost tijd, heel veel tijd.

Ik moet veel aan dit interview denken en aan die worden over geduld. Geduld is niet mijn sterkste eigenschap. Geduld is niet iets dat in onze cultuur, in deze tijd wordt gezien als belangrijk of begerenswaard. Resultaten en opbrengsten, meetbaar en tijdgebonden: daar gaat het om daar zijn we trots op. En inderdaad, in Nederland kun je daar een eind mee komen. Maar in Oost Afrika, waar ik de afgelopen negen jaar projecten deed met Cre8 East Africa, heeft die manier van denken niet altijd zin. Geduld wel, en open ogen en oren.

In augustus vloog ik ook van Nairobi naar Amsterdam na drie weken intensief te hebben gewerkt in Gulu, Noord Oeganda. Een week trainden we daar de groepsleiders van zes plaatselijke culturele- en jongerengroepen en daarna maakten we met een kleine 60 leden van die groepen een voorstelling, ‘Kati Atyer’. Het waren drie heerlijke weken. We werden al snel een grote familie, aten samen, hadden veel lol met elkaar en de heel diverse groep leek ogenschijnlijk heel snel op te pikken wat de bedoeling was en er werd een prachtige voorstelling gemaakt.

Op de laatste zondagochtend, vlak voordat het Keniaans/ Nederlandse team naar Nairobi zou rijden sloeg de sfeer bij de groepsleiders echter volkomen om. Er werd ruzie gemaakt over wie de leiding zou krijgen bij het vervolg programma (de groepen zouden ieder een stuk maken voor een festival in Januari) en de groepsleden beklaagden zich, via hun leiders, over het feit dat er geen ‘allowance’ of ’scholastic materials’ werden uitgereikt. Ik was verbijsterd. Blijkbaar had ik alle signalen gemist en mezelf een voor de gek gehouden dat iedereen begrepen had dat in dit project (anders dan bij andere projecten van andere organisaties) geen financiële compensatie of andere materiële vergoeding voor deelnemers zou zijn. Dat iedereen daar aanwezig was om iets te leren, samen iets moois te maken en met elkaar uit te wisselen. Ik was verbijsterd en teleurgesteld en de rit naar Nairobi, op zich al geen pretje dankzij het ontbreken van asfalt, was geen plezierige.

Maar ik had toch gezien dat de deelnemers enorme lol hadden tijdens het werken!  Dat sommige kinderen echt uit hun schulp waren gekropen en fantastiche actst hadden gemaakt!
Dat de deelnemers het project echt hadden omarmt als het ‘hunne’ en dat er vriendschappen en een hechte onderlinge band was ontstaan in minder dan een maand? Was ik blind geweest? En waar was ik dan mee bezig. Mijn motivatie zakte naar nul. Nou ja bijna dan. Want eenmaal in Amsterdam, met 8000 km afstand en bemoedigende woorden van mijn collega’s kon ik wat er was gebeurd goed relativeren.

Toch stond ik niet te springen om naar Gulu terug te vliegen in Januari. De groepen zouden allemaal een eigen stuk hebben en op 14 Januari zouden we al die stukken, samen met de oorspronkelijke voorstelling uit Januari op een groot open lucht festival in het centrum van Gulu laten zien. Ik had er niet veel vertrouwen in……….. Maar het werd een heerlijke week in Gulu! Bijna alle kinderen van het augustus programma waren van de partij en alle groepen hadden naar hun beste kunnen een voorstelling gemaakt met gebruik van de vaardigheden en de methode waarin we hen in augustus hadden getraind. In Gulu was ook duidelijk nagedacht over wat er was gebeurd en vanaf het eerste weerzien was de communicatie over wat er wederzijds aan verwachtingen waren veel opener en duidelijker. Één groep jongeren die bij het afscheid in augustus heel negatief was geweest over het ontbreken van een vergoeding vertelde ons dat ze nog eens goed hadden nagedacht over de waarde van dit project voor hun persoonlijke leven. Ze vonden het nog steeds jammer dat ze er geen geld mee verdienden, want dat hadden ze goed kunnen gebruiken, maar daarentegen kregen ze wel veel vaardigheden en een groot netwerk aangereikt en dat was, volgens henzelf, veel belangrijker dan geld of waar.

Van een goede gever uit Nederland hadden we voor alle deelnemers een mooie verrassing aan het eind van het project: een tas met schoolmaterialen, zodat die zorg in ieder geval weggenomen was. ‘All is well that ends well’ zeggen ze dan in Oeganda en zo is het maar net. 

maandag, januari 23

Bosco en Grace


In november 2010 waren Janneke en ik in Amuru en vonden daar een klein, verwaarloost en ondervoed weesjongetje met de naam Bosco. Na wat informatie te hebben ingewonnen heeft Quinto, onze partner in Gulu een pleeggezin voor hem gevonden en woont hij nu bij Grace, een weduwe met drie kinderen die zelf in een schuurtje op het land van haar oom Walter in Amuru woont nadat ze door haar schoonfamilie is weggejaagd van het land van haar en haar aan aids overleden man.

In Augustus 2011 heb ik Bosco bezocht met een tas vol kleding en eten voor hem en Grace en de kinderen. Ik beloofde ze toen dat ik in Januari 2012 terug zou komen en dat ze moesten nadenken over hoe ze nu het beste verder konden (met een beetje hulp van mij en Quinto). De uitkomst was dat het hun het beste leek om te beginnen met het verbeteren van de woonomstandigheden en misschien de aanschaf van een geit (voor melk, vlees en om in tijden van nood te verkopen) Op mijn verjaardag zamelde ik geld in van vrienden en familie en op 13 januari stond ik weer bij Grace voor de deur.

Bosco en Grace zagen er een stuk beter uit dan in Augustus, meer licht in hun ogen en glans op hun huid. En ook het schamele hutje was een klein beetje opgeknapt. Misschien dat er een beetje meer hoop op een goede toekomst was….en hoop doet leven. Grace was erg aangedaan door de mededeling dat we met elkaar de komende maanden gaan zorgen dat er een fatsoenlijk huis voor haar en de vier kinderen wordt gebouwd. Met een huis moet je een traditionele en van lokale materialen gebouwde ronde hut voorstellen zonder moderne voorzieningen als toilet of waterput, maar wel met ruimte om te slapen, koken, spullen veilig op te slaan en bestand tegen de enorme regenbuien en felle zon. Een hele vooruitgang vergeleken bij het schuurtje waar ze nu met z’n vijven slapen.

Geiten zijn makkelijke beesten. Je bint ze aan een touw en geeft ze de schillen en keukenafval en ze produceren melk en eventueel meer geiten. Je kunt ze verkopen of slachten wanneer daar aanleiding toe is en dat is dus pure welvaart wanneer je verder moet leven van wat een schamel stukje land je oplevert. Op advies van mijn vrienden in Kenia besloot ik dat we twee geiten en een bokje kopen. Dat moet binnen een jaar voor voldoende aanwas zorgen en dat betekent dan een mooie spaarpot voor noodgevallen. Een geitje levert bij verkoop ongeveer 20 – 30 euro op en daarmee betaal je dan een doktersrekening of de reparatie van je dak na een storm. Voor Grace, die geen ander bezit heeft, laat staan een bankrekening is dat een goede investering.

Een traditionele hut kost ongeveer € 200 en drie geiten ongeveer € 100. € 300 ( 840.000 Ugsh) heb ik dus achtergelaten bij Quinto die het hele project begeleid. Een heel bedrag om zo maar in handen van je collega te geven in het vertrouwen dat hij het goed besteed, maar het is de enige manier waarop ik dit kan doen. Hij stuurt foto’s van de voortgang en in Januari 2013 zal ik Grace weer bezoeken om te kijken of het huis en de geiten er inderdaad zijn. Maar ik neem een risico, dat is zeker. Want € 300 is ook schoolgeld voor je kind voor een jaar of een mooie nieuwe motorfiets…….. We gaan het zien. 

maandag, september 12

Overgang

Alweer even terug in Amsterdam. Gek genoeg is de overgang van Afrika naar Nederland altijd een stuk ingrijpender dan omgekeerd. Ik moet weer wennen aan het leven, de mensen en het klimaat hier en dat duurt lang…. Niet zo lang als de eerste paar keer dat ik terug kwam uit Kenia en me verbaasde, zelfs ergerde aan de overdreven welvaart en de vanzelfsprekendheid waarmee mensen die hier verkwisten. Ik zie me nog in de rij bij de supermarkt staan achter een mevrouw die net voor een week spullen had ingekocht als gesneden en gewassen groente, pakjes kant en klare sauzen, frisdrank, chips, koeken, snoep en andere luxe etenswaren. Ik dacht toen; die honderdenvijftig euro die ze voor die troep uitgeeft zou een gezin in Kenia maanden kunnen voorzien van basisvoedsel….wat een decadentie! Dat soort gedachten zijn onvermijdelijk als je een tijdje heel intensief hebt ‘geleefd’ met mensen die van heel weinig moeten rondkomen. Voor wie een flesje cola een absolute luxe is, die nog nooit ijs hebben gegeten of voor wie een gebraden kip het hoogtepunt van de kerstdagen is. Maar intussen, vele reizen naar Oost Afrika en andere minder bedeelde delen van de wereld verder kijk ik met meer mildheid naar de welvaart en de mensen hier en met meer relativering naar de armoede daar. Vooral heb ik leren aanvaarden dat ik er in ieder geval heel weinig aan kan doen in mijn eentje en dat je het mensen niet kunt verwijten dat ze gebruik maken van de tot hun beschikking staande ‘welvaart’ ook al doen ze er in mijn ogen verkeerde dingen mee. De mensen in Afrika en Azië die wel veel geld hebben doen er nog veel gekkere zaken mee dan wij hier en trekken zich ook vaak nog minder aan van de hun omringende ellende dan wij die het vaak alleen van beelden op televisie kennen. Het is jammer dat we als soort (de mens) nog niet in staat zijn om ons zo solidair en loyaal te gedragen dat we ook degenen die we niet tot ons persoonlijk netwerk, familie of volk rekenen helpen. Niet door ze een aalmoes te geven of noodhulp als het niet anders kan, maar door ze een kans te geven op een eerlijke manier handel met ons te drijven, gebruik te maken van de kennis en technologie die we in meer welvarende gebieden hebben of een tijdje bij ons te komen werken of studeren om daarmee de familie in eigen land te helpen. Nederlanders lijken het zat te zijn om na te moeten denken over de verantwoordelijkheid die we hebben als één van de rijkste en meest ontwikkelde volken, landen, economieën in de wereld. Terug in dit land lijkt het of iedereen alleen maar geïnteresseerd is in de besognes van alledag, de pietpeuterige discussies in de Nederlandse politiek en vooral het (slechte) weer. Maar ook dat is natuurlijk niet eerlijk van me. Ik kies er voor om me ééns per jaar een paar weken onder te dompelen in een project met een groep in Afrika, ik kies er voor me in hun te verdiepen, lees er over, praat met ze, kijk naar programma’s over Afrika enzovoort. Geen wonder dat het me intens bezighoudt en ik er graag over wil praten in Nederland. Maar heel veel mensen die niet mijn ervaringen delen kunnen of willen dat niet en dat kan ik ze niet kwalijk nemen. Zo gaat dat….maar het voelt een beetje als roepende in de woestijn.

vrijdag, september 2

Poor, poorer, poorest

De armoede in Noord Oeganda is schrijnend.
Je ziet het aan hoe mensen gekleed gaan, wat er in de winkels te koop is en hoe ze wonen. Toch valt er nog onderscheid te maken tussen arm en nog armer. Zo hebben veel mensen, die misschien nauwelijks geld hebben voor een fatsoenlijk huis, of elektriciteit wel een mobiele telefoon. Met je familie en vrienden communiceren is ontzettend belangrijk hier. Sommigen hebben een fiets en er zijn zelfs mensen met een brommer. Maar in de ‘slopenwijken, voormalige vluchtelingenkampen en op het platteland hebben heel veel mensen helemaal niets. Velen leven van een minimaal inkomen en wat ruilhandel. Door gebrek aan geld hebben ze geen toegang tot onderwijs of gezondheidszorg en is het onmogelijk om aan ‘luxe’ zaken te komen als een mobiele telefoon of een fiets. Doordat ze niet met de buitenwereld kunnen communiceren en zich niet kunnen verplaatsen blijven ze in deze situatie. Informatie, over bijvoorbeeld HIV-AIDS, of de marktprijzen voor hun agrarische producten, is voor hen moeilijk te krijgen en iedereen die kwaad wil kan hen van alles wijs maken. Daarmee zijn ze dus niet alleen straatarm maar ook nog eens extra kwetsbaar. Geen wonder dat velen zich krampachtig vastklampen aan religie. En dat zijn niet alleen de gebruikelijke als de katholieke kerk en de anglicaanse maar ook hele radicale en, in mijn ogen, manipulatieve (vaak Amerikaans gefinancierde) kerken, die mensen tegen elkaar opzetten, angst inboezemen en afhankelijk maken. Ze schrikken mensen af van voorbehoedmiddelen, westerse medicatie en komen met allerlei verkeerde informatie over bijvoorbeeld HIV. Nog een factor die de bevolking van het platteland arm en afhankelijk houdt. En nu is er ook nog eens sprake van enorme inflatie en exorbitant stijgende voedselprijzen. En de eersten die daar onder lijden zijn degenen voor wie voedsel de grootste post op de huishoudbegroting is: de allerarmsten van wie sommigen van slechts UGS 1000 = € 0,25 de dagelijkse boodschappen moeten doen.

donderdag, september 1

Bosco, deel twee

Na het bezoek aan Gulu in november 2010 schreef ik al over Bosco, het jongetje dat, een beetje verloren, bij onze bijeenkomst met de jongerengroep in Amuru aanschoof. Hij bleek ‘van niemand’ te zijn. Janneke, Quinto en ik zijn na het bezoek aan Amuru op bezoek geweest bij een vertegenwoordiger van SOS kinderdorp in de stad om te kijken of er iets voor Bosco kon worden gedaan. We maakten ons namelijk zorgen over hem. Hij zag er hongerig en zeer onverzorgd uit en was echt te jong om te kunnen overleven zonder volwassenen die hem verzorgen of onderdak bieden. De medewerker van SOS zegde toe om het ‘geval’ Bosco te laten onderzoeken door hun team maar keek daarbij een beetje van ‘ weet u wel hoeveel van deze kinderen er in Noord Oeganda rondlopen en waarom zouden we nu deze uitgerekend helpen?’. Tsja waarom eigenlijk? Want het is waar; er lopen honderden, duizenden en misschien wel meer van deze kinderen rond in Noord Oeganda. Geboren uit verkrachtingen en na de geboorte ‘verstoten’. Achtergebleven nadat de ouders en andere familie leden stierven of verdwenen. Of gewoon van huis gelopen omdat er thuis geen eten en geen liefde voor ze was. Bosco was aangekomen in Amuru met zijn moeder. Die was kort na aankomst overleden en daarna had hij overleeft van kleine dingen die anderen voor hem overlieten of die hij vond tussen het afval. Waarom zouden we ons nu juist om hem bekommeren, waar er zoveel andere kinderen zijn die ook hulp nodig hebben. Ik heb er geen ander antwoord op dan ‘toeval’ Het toeval wil dat wij dit jongetje in de ogen keken en ons zijn lot aantrokken. Andere redenen zijn er niet. Maar zo’n jongetje als Bosco, die je met grote, holle ogen aankijkt in de hoop op een flesje fris of iets te eten….dat komt heel hard aan kan ik je zeggen. Niet SOS maar Quinto, onze man in Gulu heeft er voor gezorgd dat Bosco werd opgevangen. Hij heeft een mevrouw, Grace, gevonden die Bosco bij zich heeft genomen. Niet dat ze dat gemakkelijk kon doen. Grace is weduwe, zelf heeft ze drie kinderen van wie de oudste 14. Ze leeft op het land van haar oom omdat de familie van haar overleden man haar heeft verjaagd toen bleek dat ze zelf HIV positief is. Zij heeft geen of bijna geen middelen van bestaan maar met het beetje geld dat ze verdient met de verkoop van chapati’s (soort brood pannenkoek) probeert ze het hoofd boven water te houden. En uitgerekend Grace neemt dan een vierde kind in huis……. Ik heb de familie bezocht. Bosco stijf tegen Grace aangeklemd, bang dat die witte meneer hem mee zou nemen. Grace vertelde me haar verhaal. Eerst onbewogen met afdwalende starende ogen maar toen ze vertelde over haar HIV besmetting brak ze en kon ze haar emoties niet meer bedwingen. Gelukkig is HIV-AIDS geen doodstraf meer in Oeganda. Er zijn goede medicijnen en die zijn meestal gratis. Je moet ze alleen ophalen in het ziekenhuis in de stad en je moet regelmatig worden getest. Dat kost haar twee dagen reizen en haar grootste zorg is dat ze de kinderen dan alleen moet laten in de lemen hut waar ze met z’n allen ‘wonen’. Ik was zeer onder de indruk van haar verhaal en dankbaar dat ik in ieder geval iets voor haar kon doen. Quinto en ik namen afscheid van haar en de kinderen en we lieten eten, dekens, zeep en kleding voor haar achter en beloofden dat we in Januari weer op bezoek komen. Ondertussen denken we, met haar, na over hoe het verder moet.

Try out in het voormalig vluchtelingenkamp Unyama

De eerste voorstelling zit er op. Eigenlijk de ‘try out’. In Unyama, een gehucht dat is overgebleven van één van de vluchtelingenkampen hebben we vanmiddag een voorstelling op een open veld gegeven. Gisteravond was er nog een stevige vergadering met het hele team omdat er nog heel veel zaken niet geregeld bleken. Kostuums waren niet af omdat de kleermaker midden in een verhuizing zat en het werk twee dagen had stilgelegen Er was nog steeds geen oplossing voor het ophangen van de prachtige doeken voor het decor en ook moesten er nog gymschoenen worden gekocht voor kinderen van wie we een verkeerde maat hadden opgekregen. De hele ochtend waren verschillende teamleden heel druk met het regelen van al die zaken plus vervoer van de jongeren nar Unyama. Om twee uur vanmiddag waren we er, met bijna alle kostuums compleet en zowaar een decor, hoewel enigszins geïmproviseerd. De mensen uit het dorp stroomden toe, heel veel kleine kinderen en jonge vrouwen met kinderen en net toen het dorpshoofd z’n toespraak inzetten begon het te regenen. Een hele zware tropische bui die bijna en uur duurde. Het veld waar we zouden optreden veranderde in een zwembad, de straten er omheen in rivieren en samen met het publiek schulden we in de twee tenten die we hadden opgezet en onder het decor.




Van lieverlee begonnen onze kids liederen te zingen om zichzelf en het publiek te vermaken. Toen het eindelijk na een uur stopte met regenen en de zon voorzichtig tussen de wolken piepte was het speelveld veranderd in een grote rode modderpoel. We vroegen de jongeren wat ze wilden, maar er was wat hun betreft maar één optie: optreden!. En dat deden ze. Vol overgave. Na vijf minuten vergaten ze de modder en stortten ze zich vol overgave op de acrobatiek en dansscènes. Na een zinderend optreden met veel bijval van toestromende publiek, zagen ze er heel gelukkig uit in hun rode modderkostuums.

maandag, augustus 29

Oorlog

Vandaag hebben Gregory en ik weer een aantal mensen geïnterviewd voor de film over het project in Gulu. Één van de interviews was met Michael, de groepsleider van het Amuru Youth Association team. Amuru is een sub –district van Gulu en ligt ongeveer 30 kilometer van de stad, tegen een nationaal wildpark aan.

Michael was één van de trainees uit de groep die door Chrissie, Steve, Sami en mij werden getraind en het was me in de eerste twee dagen opgevallen dat hij niet vaak deelnam aan de gesprekken, die in het Engels waren. Hij bleek zich echter heel goed uit te drukken in het Acholi en zei dan vaak indrukwekkende dingen. Het belang van samenwerken, de ’income generating activities’ die hij had opgezet in zijn dorp, het belang van zelfexpressie voor jonge mensen etc…. hij had er indrukwekkende zaken over te zeggen. Hij deed verder heel enthousiast mee met alle activiteiten in het project en hoewel hij geen geweldig danser is, was hij vaak in de workshops van Dina en mij te vinden.

Vandaag vertelde hij ons het ontroerende verhaal van zijn persoonlijke ervaringen met de oorlog in Noord Oeganda. In eerste instantie zei hij er weinig over in het interview. Iets in de trend van ‘ja, die oorlog heeft mijn leven heel erg beïnvloed’, maar toen er nog eens naar werd gevraagd vertelde hij ons het volgende;

Toen de burgeroorlog in alle hevigheid uitbarstte en hij en zijn familie geen kant meer opkonden werd hij door een groep rebellen ontvoert. Hij was getuige van de meest weerzinwekkende gebeurtenissen (daarover weidde hij verder niet uit) maar wist na een paar maanden te ontsnappen. Hij probeerde zijn schoolcarrière weer op te pakken maar na een paar maanden werd hij door weer een ander groep rebellen gepakt en een jaar lang werd hij gedwongen om met hen mee te vechten. Michael keek heel ernstig toen hij dat vertelde en benadrukte dat hij getuige was geweest van de meest verschrikkelijke zaken. Hij vertelde niet wat, maar wij weten dat in de oorlog door de rebellen bijvoorbeeld de handen van mensen die hadden gestemd werden afgehakt. Lippen en oren werden afgesneden van mensen die een ‘grote mond’ hadden of niet luisterden en veel kinderen werden gedwongen om hun eigen ouders, familieleden en vrienden te vermoorden om zelf aan een zekere dood te ontsnappen. Hij zal er zeker zijn deel van hebben meegemaakt en wellicht ook zelf gedwongen zijn geweest dingen te doen waar hij liever niet aan terugdenkt.

Maar ook dit keer wist Michael na een jaar te ontsnappen. Toen hij de veiligheid van het vluchtelingenkamp bereikte kreeg hij het nieuws dat al zijn familieleden op een paar kinderen na, waren vermoord door de rebellen. Het had voor hem geen zin meer om terug te gaan naar school en om in zijn onderhoud te voorzien besloot hij zich aan te melden voor het Oegandese leger en naar Irak te gaan om mee te vechten met het geallieerde leger daar. Toen hij dat vertelde keek hij heel leeg uit zijn ogen alsof zijn herinneringen hem terugbrachten naar een verschrikkelijke plek. Ik had ondertussen de tranen in mijn ogen en wist even niks meer te zeggen of te vragen. Michael vertelde vervolgens dat hij, eenmaal terug uit de Irak oorlog, besloot om in zijn gemeenschap, in de wankele nieuwe vrede, een groep op te zetten om zijn mensen te helpen het leven weer op te pakken; Amuru Youth Association. En hij vertelde met veel nadruk hoe belangrijk deelname aan het Cre8 project voor hem was omdat het mensen samen brengt, de jeugd een stem geeft en iets achterlaat waar alle deelnemers mee verder kunnen.
Een zeer zeldzaam interview met Joseph Kony, de leider van de Lord's Resistance Army, de aanstichter van de oorlog in Noord Oeganda en degenen die Michael tot twee keer toe ontvoerde